Reptielsoorten
Slangen
Slangen zijn nauw verwant aan hagedissen. Ze zijn gemakkelijk te herkennen aan hun lange, pootloze lichaam dat hen van andere reptielen onderscheidt. Sommige slangen hebben sporen van achterpoten in hun lichaam, vooral de boa's en de pythons. Door hun opvallend lange, smalle lichaam verschillen slangen inwendig vrij sterk van andere reptielen. Ze hebben een zeer lange ruggengraat met veel wervels, kunnen goed zien en hoewel ze niet op dezelfde manier als zoogdieren horen, kunnen ze wel laagfrequente trillingen in de grond waarnemen. Dit waarschuwt hen als er roofdieren of prooien in de buurt zijn.
Net als hagedissen verschillen slangen uiterlijk ook erg veel van elkaar en hebben ze zich aangepast aan het leven in vrijwel elke ecologische niche, behalve de poolstreken. De meeste van de grofweg 3000 soorten slangen zijn niet giftig, ze gebruiken hun naar achteren gekromde tanden om hun prooi te grijpen en vast te houden. Veel soorten verstikken hun prooi door hun lichaam eromheen te wikkelen en de vangst te wurgen. Dit geldt vooral voor slangen die op zeer lenige of grotere prooien jagen.
Ongeveer tweederde van alle slangensoorten behoort tot één familie, de Colubridae. Hiertoe behoren vooral algemene en niet-giftige soorten zoals kousenbandslangen, ringslangen, koningsslangen en rattenslangen. Hoewel er minder gifslangensoorten zijn, komen ze wel over vrijwel de hele wereld voor, met name in de tropen. Ze zijn uitgerust met speciale slagtanden waarmee ze gif in hun prooi kunnen injecteren. De gevaarlijkste gifslangen behoren tot de adder-, groefkopadder- en cobrafamilies.